Wol

Wol
Wanneer je op zoek bent naar een aangename stof, met een warme uitstraling, dan denk je al snel aan wol.
Wol bestaat uit de dunne haren van schapen en andere dieren en komt veelal uit Australië, China en Nieuw- Zeeland.
Wol onderscheidt zich van haar en andere vezels omdat het schubben heeft en is gekroesd.
Wol heeft tot 20 bochten per 2,5 centimeter, waardoor de lucht goed wordt vastgehouden en wol een goede warmte isolator is tegen kou. Beide eigenschappen, de schubben en de kroes, maken dat wol ook makkelijk gesponnen kan worden. De vezels haken namelijk makkelijk in elkaar en blijven daarna aan elkaar vastzitten.
-Vol wordt enigszins vervilt, wanneer het wordt toegepast als gordijn-of meubelstof.
-Wol kan makkelijk veel vocht opnemen, tot wel 40% zonder zelf vochtig aan te voelen.
-Wol is sterk elastisch, plooien en kreukels zullen vanzelf herstellen,
-Wol heeft een hoge rek en kan 30 tot 40% worden uitgerekt zonder te breken.
-Wol kan pluizen en is moeilijk wasbaar (handwas, geen schommeling in temperaturen)
-Wol wordt gemengd met ander vezels om stof sterker en kleurechter te maken.
Niet iedereen kan tegen (het gekriebel van-) wol, des te dunner de vezel is, bijvoorbeeld van het Merino schaap ( 10 micrometer), des te minder de irritatie die optreedt. Des te minder haren uitsteken uit garens/het doek, des te minder kans op jeuk.
Soorten wol
.Scheerwol is de onbeschadigde wol, geschoren van een gezond en levend schaap. Scheerwol is in een winkel te herkennen aan het internationale wolmerk dat in meer dan 100 landen wettelijke bescherming geniet.
• Bloot wol of plootwol is geen geschoren woil van een levend schaap. Het wordt verkregen door een chemische behandeling van de huiden van geslachte schapen.
• Scheurwol verwijst naar wol soorten van mindere kwaliteit, herwonnen uit gedragen kleding of uit garen en weefselafval van de textielindustrie.
• Kunstwol is wol die voorkomt uit hergebruik. Het is niet rechtstreeks afkomstig van het dier, maar is gewonnen uit wol bevattende lompen..

Van buiten naar binnen bestaat de wol vezel uit vier lagen:
• De hoornachtige schubbe laag (Cuticula)
• Een tussenmembraan (subcutis)
• Een schorslaag (cortex)
• Het merg (medulla)
De wol die op een schaap groeit is niet overal gelijk, waardoor ook de kwaliteit verschilt. Men onderscheidt:
• Wol van de flanken, schouders en rug
• Wol van de dijen
• Wol van de buik
• Wol van de overige delen.

Toepassing van wol:

• Kleding ( haken weven breien)
• Tapijt (knopen of weven)
• Dekens
• Isolatiematerialen
• Hoeden(vooral als vilt)
Productie van wol
De productie van wol vindt plaats in een groot aantal stappen. Hieronder wordt het houden en fokken van schapen daarbij nog buiten beschouwing gelaten.
Scheren

Schaapscheren
Schapen worden elk jaar in het voorjaar geschoren. Een ervaren scheerder kan tot ongeveer 150 schapen per dag scheren. Tijdens het scheren blijft ongeveer 2 centimeter wol staan.
Na het scheren wordt de vacht opgerold en verpakt in balen, die elk 170 kilogram wegen. Het schaap wordt soms na het scheren door een ontsmettend bad gestuurd, waarbij parasieten gedood worden.
Geschoren wol van een Merino schaap
De wol die van een schaap afkomt is vervuild met vet, zweet en gras en andere plantaardige resten. Door de wol te wassen, wordt het vuil verwijderd. Voor het spinnen is het echter nuttig als de wol nog enigszins vet is. Van nature bevat wol lanoline, de grondstof die onder andere in cosmetica wordt gebruikt.
Kaarden
Voor het spinnen wordt de wol gekaard. Daarbij worden de vezels ontward. Het kaarden gebeurt met een kam met stalen punten. Machinaal gebeurt dit met een snel ronddraaiende cilinder voorzien van stalen punten of zelfs een naalden bed. Vroeger werden hiervoor de vruchten van een plant, de kaardenbol gebruikt. Met het kaarden verdwijnen ook de laatste restanten vuil. Na het kaarden kan er eventueel direct gesponnen worden. Voor een fijner resultaat moet echter eerst nog gekamd worden Om een betere regelmatigheid in het uiteindelijke garen te krijgen, dienen ook diverse rek- en doubleerpassages toegepast te worden, waarbij de lont steeds regelmatiger en dunner wordt.
Spinnen (twisten)

Hoe fijner de wol vezel, des te dunner kan de draad gesponnen worden. Tijdens het spinnen wordt de wol in elkaar gedraaid. Hierdoor worden de vezels met elkaar verbonden en wordt de draad sterker. Het aantal draaiingen waarmee het garen gesponnen wordt, noemt men de hoeveelheid twist. Door te spinnen ontstaat een enkele draad.
Noppen
Het verwijderen van oneffenheden in de gesponnen draad in de vorm van knoopjes en losse uiteindjes noemt men noppen.

Twijnen
De enkele draad die na het spinnen is ontstaan, wordt met één of meer andere draden in elkaar gedraaid, waardoor een dikker en/of steviger resultaat ontstaat. Dit in elkaar draaien van meerdere draden heet twijnen en gebeurt meestal in de tegengestelde draairichting van het spinnen om het volume en de sterkte te verbeteren. Hierdoor wordt voorkomen dat de draden over twist worden en de extra sterkte door het twijnen weer verliezen.
Zetten of fixeren]
Om te voorkomen dat de gesponnen garens weer losdraaien, wordt de wol soms gezet. Dit is vooral nodig voor gebruik in tapijt omdat daar korte draadjes wol voor worden gebruikt. Het zetten gebeurt chemisch, of met gebruik van stoom in een autoclaaf..
Verven
Het verven kan in verschillende stadia van de productie van wol plaatsvinden, bijvoorbeeld voor het spinnen, in het garen en na het weven. Van oudsher werden hier vooral planten voor gebruikt. Wouw, wede en vooral meekrap waren vroeger veel gebruikte verfplanten. Ook wordt een geweven wollen lap of een tapijt wel bedrukt met verschillende kleuren.
Donkere wol, van een zwart schaap, blijft vaak ongeverfd.
Vilt[bewerken]

Vilt
Vilt is een oude techniek om wol te verwerken. Het vervilten van wol wordt ook wel vollen genoemd. Vroeger werden hiervoor volmolens gebruikt. Voor het maken van vilt kan wol van een mindere kwaliteit gebruikt worden. Na het kaarden wordt de wol kruiselings neergelegd. Daarna wordt de wol ingewreven met warm water en zeep. Door voortdurend te kneden grijpen de weerhaakjes die aan de wol vezels zitten in elkaar en wordt het water uit de wol geperst waardoor er uiteindelijk vilt ontstaat. De vilt moet tenslotte plat geperst worden. Vervilten van wol kan ook per abuis gebeuren, bijvoorbeeld bij te heet wassen.
Onderhoud van wol
Wol is een teer weefsel. Het kan tegen weer en wind, maar komt zolang het aan het schaap zit natuurlijk niet in aanraking met zeep en warm water. Truien die over een hemd of T-shirt gedragen worden, kunnen beter niet te vaak gewassen worden. Hetzelfde geldt voor mantels. Luchten kan vaak volstaan. Maar als het toch moet, kan wol wel gewassen worden.
Dit geldt echter niet voor alle wol soorten, en het heeft eigenlijk altijd de voorkeur wol met de hand te wassen, al doen fabrikanten van wasmiddelen en wasmachines soms anders geloven. In elk geval moet het etiket in kleding hier goed op worden bekeken. Staat op het etiket een handje in een tobbe, dan moet de wol absoluut met de hand gewassen worden. Bij het wassen met de hand dit doen in lauw water, met een wolwasmiddel. Nooit de wol uitwringen, maar voorzichtig uitknijpen. Na het wassen ook in lauw water een aantal malen uitspoelen.
Het is een misverstand dat de was temperatuur nooit hoger mag zijn dan 30 graden, immers het verven van wol vindt op veel hogere temperaturen plaats, zonder enige krimp of vervilting. Wol is echter wel vatbaar voor snelle temperatuurwisselingen. Langzaam verwarmen en/of afkoelen is dus cruciaal. Laat wol nooit weken, want daardoor kan het gaan vervilten. Centrifugeren kan beter ook achterwege gelaten worden.
Tere wollen kleding kan men het beste liggend, of goed ondersteund laten drogen, waarbij het kledingstuk zo goed mogelijk in vorm wordt gebracht. Hang nooit een trui aan de mouwen met een paar wasknijpers op.
Wol producerende diersoorten:
• Schaap , gedomesticeerd vee dat gehouden wordt om vlees, melk en wol.
• Alpaca , leeft in de Andes in Zuid-America. wol.
• Konijn, dat wil zeggen het Angora. De angorawol is bijzonder zacht en heel licht. Om hem sterker te maken wordt angorawol vermengd met schapenwol of andere vezels.
• Geit, Kasjmierwolkomt van de Kasjmiergeit, die voorkomt in Angola en Mongolië. Deze dieren leven in het wild in onherbergzame gebieden. De wol wordt gewonnen door met de hand 100 tot 200 gram uit de onder vacht van de buik te kammen en wordt ook wel ‘pashmina’ genoemd. Mohair is afkomstig van de Angorageit.
• Kameel, licht of donkerbruin haar dat wel wordt gebruikt in jassen en blazers.
• Paard, bruin, zwart en wit van staart en manen, dat wordt gebruikt voor stoelbekleding, ‘tussenlinnen’ voor revers van kleding.
• Jak/Yak(o.a. Mongolië) voor plaids, shawls, tapijt en tussenlinnen.
Schapenrassen]
Merino wol wordt gezien als het oorspronkelijke schapenras dat fijne scheerwol levert. Het ras is afkomstig uit Spanje en 200 jaar geleden naar Australië gebracht. De vezels van Merino wol zijn sterk gekroesd. Met deze wol worden soepele weefsels gebreid of geweven, bijvoorbeeld voor gebruik in sjaals.
Nieuw-Zeelandse schapenrassen zijn:
• Border Leicester
• Coopworth
• Drysdale
• Lincoln
• Perendale
• Nieuw-Zeelandse Romney
Andere schapenrassen die door kruising zijn ontstaan:
• Cheviot
• Clun Forest
• Corridale
• Fat tailed
• Gotland Pelsschaap
• Hampshire down
• Romney
• Scottish blackface
• Shetland
• Southdown

Go top